Moderne dans ontstond aan het begin van de twintigste eeuw als een reactie op het klassieke ballet. Voor veel pioniers voelde ballet als een vaste vorm met strikte passen, verhalen en rollen. Zij wilden dans creëren die persoonlijker en menselijker was, waarin de beweging direct verbonden is met wat iemand wil uitdrukken.
Daarom ontwikkelden zij eigen technieken, zoals de werkwijzen van Martha Graham en later Merce Cunningham, met een andere fysieke logica dan het ballet. De romp werd het centrum van gevoel en initiatief. Beweging kwam vaker vanuit de grond in plaats van omhoog naar een perfecte pose. Dansen op blote voeten, werken met zwaartekracht, adem en weerstand zichtbaar maken: het lichaam werd geen sprookjesfiguur maar een echt mens.
Moderne dans verbreedde ook het idee van wat dans kan zijn. Niet alleen verheven of gestileerd, maar ook alledaags. Lopen, vallen, stilstaan, herhalen. Vanaf dat moment werd elke menselijke beweging mogelijk materiaal voor danskunst.