Hier zijn we thuis

Hier zijn we thuis

Interview met Sol León en Paul Lightfoot

tekst: annette embrechts

Ze kwamen allebei midden jaren tachtig naar Nederlands Dans Theater (NDT), vanuit verschillende danstradities. Paul Lightfoot (Kingsley, Engeland, 1966) was geschoold in klassiek ballet, aan een groot instituut als het Royal Ballet. Hij vond in Den Haag de creativiteit en vrijheid waarnaar hij smachtte. Sol León (Cordobá, Spanje, 1969) danste van kleins af aan Spaanse folklore voor toeristen; wat ze aan techniek miste, compenseerde ze met expressie en creativiteit.

Eenmaal bij NDT voelden ze direct: ‘Hier zijn we thuis’. Meer dan dertig jaar later, in de artistieke top van het Haagse gezelschap, blikken ze terug én vooruit op het zestigjarig bestaan. Over één ding zijn ze het eens: NDT mag een groot gezelschap zijn, het blijft een kleine gemeenschap. ‘Het kloppend hart wordt altijd gevoed door de ongebreidelde energie van een loyale kern van een tiental creatieve lefgozers.’ Ze kijken met verbazing achterom. Maken ze echt al ruim dertig jaar deel uit van Nederlands Dans Theater, de helft van de zestig jaar die in oktober met een jubileumprogramma worden gevierd? ‘In een energiek gezelschap als dit vliegt het leven van een danskunstenaar razendsnel voorbij’, legt León uit.

Het is een drug die ongebreidelde energie te voelen van een loyale groep dansers

Sol León

‘Het is bijna beangstigend dat we al meer dan de helft van ons leven op deze speciale plek zijn. Maar het betekent ook dat ons DNA en dat van NDT zijn verstrengeld.’

Lightfoot: ‘Als je het verschil ziet tussen hoe chaotisch het gezelschap begon, met een klein revolutionair clubje rond Carel Birnie, Benjamin Harkarvy en Aart Verstegen, en welke geoliede machine Nederlands Dans Theater nu is, lijkt dat onvoorstelbaar. Toen wij bij NDT kwamen, midden jaren tachtig, luisterden we met klapperende oren naar de verhalen uit die pionierstijd, eind jaren vijftig. Hoe dansers als Jaap Flier, Rudi van Dantzig, Willy de la Bije en Milly Gramberg zich committeerden aan de plannen van Harkarvy, zonder subsidie, zonder goed salaris, zonder studio. Er waren geen rangen en standen, iedereen was solist: dat was revolutionair in de danswereld. Niet veel later brachten Hans van Manen en Glen Tetley de avant-garde mee. In Den Haag was een grote ommezwaai gaande, met ups en downs. Hoe kijken jonge dansers nu naar de tijd toen wij hier arriveerden? Dat moet voor hen als een eeuw geleden aanvoelen.’ En toch, zeggen ze allebei, hoezeer NDT ook is gegroeid en veranderd, in de kern is het nog steeds een kleine gemeenschap.

León: ‘Het is een drug die ongebreidelde energie te voelen van een loyale groep dansers, die al hun authenticiteit en creativiteit geven.’ Lightfoot: ‘En die bereid zijn te veranderen en alle danstalen te spreken. Dát is talent. Zo waren wij toen, zo is het hart van de dansgroep nu.’

Hans van Manen, jaren '70. Foto: Gert Weigelt

Dag en nacht
Allebei hadden ze een compleet andere aanvliegroute om bij NDT te landen. Lightfoot: ‘Ik was 18 en enorm gemotiveerd om NDT te leren kennen. Ik kwam vanuit een groot instituut als het Royal Ballet, aan hun school was ik opgeleid. Van die geïnstitutionaliseerde instelling belandde ik bij een creatief huis als NDT. Thank goodness dat ik deze plek heb gevonden. NDT zat nog aan de Koningstraat, de groep had net fondsen geworven voor de start van de bouw van het Lucent Danstheater, eerst nog AT&T Danstheater geheten. De Koningstraat was een chaotisch thuis. Repetitieschema’s en roosters bestonden niet. Als er iets moest worden gedaan, werd het gewoon gedaan. Niemand dacht er over een uur niet te hoeven werken. Hans Knill, die midden jaren zeventig twee jaar naast Jiří Kylián in de artistieke leiding zat en nu met Roslyn Anderson de casts regelde, liep rond in een shirt met de tekst: Don’t ask me, everybody has to be there. Er werd geen regel nageleefd. Je was er gewoon dag en nacht.’

Lightfoot laafde zich aan de generatie choreografen die bij NDT rondliep en die later zo cruciaal bleek voor de ontwikkeling van de moderne dans. Maar dat wist niemand nog. Wel voelde iedereen de woeste drive van hun kunstenaarschap- in-ontwikkeling. William Forsythe (1949) was net begonnen met zijn Ballett Frankfurt. Mats Ek (1945) had met knallende ruzie het Cullberg Ballet verlaten, het gezelschap van zijn moeder; later zou hij daar weer terugkeren. Jiří Kylián (1947) was zich na zijn internationale doorbraak aan het heruitvinden in de zware combinatie van artistiek leider, boegbeeld én succesvol choreograaf. Hans van Manen (1932) keerde terug in Den Haag nadat hij eerder boos was weggelopen naar Het Nationale Ballet. Ohad Naharin (1952) brak met zijn gezelschap door in New York. Lightfoot: ‘Wij jonge dansers waren ons nauwelijks ervan bewust dat er iets groots gaande was, maar we zogen al die creatieve energie gulzig op. Daar ontstond een extreem toegewijde, loyale groep mensen, gekweekt met het NDT-DNA.’

Je was er gewoon dag en nacht.

Paul Lightfoot
Kijkje achter de schermen, met Jiří Kylián rechts, 1982. Foto: Sven Ulsa

Folklore en filosofie
León voelde zich danseres vanaf haar derde, zonder dat ze wist wat dat precies inhield. ‘Ik kon op school alleen kiezen tussen gymnastische of folkloristische dans. Het werd het laatste. Ik maakte al vroeg pasjes en structuren, maar ik wist niet dat dit choreograferen heette. Ik trad vooral op voor toeristen, op straat, niet in theaters. En ik wilde filosofie studeren. Maar die combi lukte niet. Omdat iedereen zei dat ik danstalent had, meldde ik mij bij de auditie van het Nationaal Ballet van Spanje, maar ik had geen idee van klassieke ballettechniek. Ze wilden het een jaar aankijken, maar het was zwaar, mijn ouders ondersteunden mijn danscarrière niet. In Italië zei iemand tegen mij: je moet naar Nederland, je hebt misschien een achterstand in techniek, maar je hebt een enorme creativiteit.’

‘Van de vrouw van NDT-fotograaf Jorge Fatauros hoorde ik dat ze bij NDT 2 een meisje nodig hadden. Zo ben ik in Den Haag terechtgekomen. Ik kende NDT niet, maar mijn gevoel zei: dit is mijn thuis. Ik ontmoette Hans van Manen, Arlette van Boven, Jiří Kylián. Hem begreep ik niet altijd, hij was een intellectueel.’ Bij de openingsvoorstelling van het AT&T Danstheater in 1987 mocht León als enige niet de hele avond meedoen – ze sprak geen Engels. Maar Van Manen zag haar staan, verdrietig, en vroeg: wie is zij? ‘Zo belandde León op de voorste rij in Van Manens Wet Desert (1987). ‘Daarin renden we vanuit het zwembad op het dak zo het podium op! Dat was hilarisch.’ Naast de choreografen, waren het ook de dansers die ervoor zorgden dat ze zich hier thuis voelde en Spanje niet teveel miste. ‘We waren allemaal verschillend, maar we waren samen.’ Lightfoot: ‘In Engeland zag ik balletvoorbeelden die niet bij mij pasten. Bij NDT zag ik mannen als Gerald Tibbs, Nacho Duato, Glen Eddy. Zo’n danser wilde ik worden.’

Sol León en Paul Lightfoot in 'Two Gold Variations' van Hans van Manen, 1999. Foto: Joris-Jan Bos

Het DNA van NDT
Het paradoxale was: ondanks de chaotische organisatie werd NDT een beroemd en daardoor veeleisend gezelschap. Er was een verrassende internationale doorbraak, met het overrompelende Sinfonietta in 1978, maar eind jaren tachtig werd de groep echt bekend, onder bezielende leiding van Jiří Kylián. Lightfoot: ‘Hij heeft zo veel gedaan en het was zo pittig. Hij had vaak een ontslagbrief in zijn jasje zitten, die gelukkig nooit is ingezet.’ León: ‘Hij heeft een specifieke vorm van melancholie. Dat maakte het dubbel moeilijk harde beslissingen te nemen. Hij stond op de top van een berg en zag wat niet iedereen kon zien.’ Lightfoot: ‘Het bijzondere was: samen met Carel Birnie, die hier dag en nacht was met een plastic tasje in zijn hand, wist Jiří van het gebrek aan regels een motto te maken. De regel werd: stap niet in de valkuil van regels.’ León: ‘Toen voelden we zo sterk wat het DNA is van NDT: het gaat er niet om de allerbeste danser te zijn, om het technisch virtuoos kopiëren van patronen. Het gaat erom authentiek en creatief te blijven. Wat voel je als danser, wat geef je, wat doe je met materiaal, met ideeën?’

Repetitiefoto Jiří Kylián. Foto: onbekend

Lightfoot: ‘Door zes decennia heen is NDT altijd een kleine gemeenschap gebleven, gevoed door de ongebreidelde energie van een loyale kern van 10 tot 15 creatieve lefgozers.’ Dat ze daar ook een prijs voor betalen, nemen ze voor lief: de groeiende afstand tot hun familie. ‘Je wisselt je bloedband in voor een andere. Dat is niet altijd makkelijk, zeker niet bij belangrijke familieaangelegenheden.’ Bij een jubileum als dit draait de terugblik vaak om de schatkamer aan overweldigende choreografieën en de stoet aan geweldige dansers. ‘Amazing, zeggen mensen dan’, aldus León.

Maar het artistieke duo, dat jarenlang ook een stel vormde en samen in deze hectische wereld dochter Saura (21) grootbracht, benadrukt keer op keer dat het hen gaat om de onuitputtelijke creativiteit, authenticiteit en loyaliteit in de studio. Lightfoot: ‘Wanneer wij als duo creëren, geven wij vaak tegenstrijdige opdrachten aan dansers. Daar kunnen ze gek van worden. Maar een creatieve danser weet daar speels mee om te gaan. Neem Medhi Walerski of Marne van Opstal, die zijn daar exceptioneel goed in. Daarom groeien zij ook als maker, Marne samen met zijn zus Imre. Zij begrijpen dat proces. De beste dansers zijn zij die bij alle gastchoreografen creatief kunnen zijn.’

Het gaat er niet om de allerbeste danser te zijn, om het technisch virtuoos kopiëren van patronen. Het gaat erom authentiek en creatief te blijven.

Sol León

Een schatkamer aan zeldzaamheden
Dat creatief schuren zal zeker opspelen tijdens een van de grootste uitdagingen van het jubileumprogramma: een gezamenlijke choreografie van huischoreografen León en Lightfoot met associate choreographers Marco Goecke en Crystal Pite, voor zowel NDT 1 als NDT 2. Deze Kunstkamer (première 3 oktober 2019), geïnspireerd op het Rariteitenkabinet (1734) van zoöloog en verzamelaar Albertus Seba, draagt niet voor niets de ondertitel ‘een gezelschap van rariteiten’. In feite is NDT ook ‘een schatkamer aan zeldzaamheden’. NDT-dansers moeten al die ‘zeldzame’ danstalen van huis- en gastchoreografen weten te verstaan, met als vertrekpunt de klassieke ballettechniek. Dat contrast komt sterk tot uiting in het jubileumseizoen, waarin het speelse verlangen van Medhi Walerski of het surrealistische danstheater van Gabriela Carrizo een totaal andere expressie vragen dan het vulkanische ritme van Sharon Eyal & Gai Behar of de crossover dans van Vlaming Damien Jalet. Die laatste debuteert dit seizoen bij NDT, na een intensieve  samenwerking met de internationale hotshot Sidi Larbi Cherkaoui. Ook nieuw is Fransman Yoann Bourgeois, die navigeert tussen natuurkunde en poëzie, dans en acrobatiek. Het is aan de amazing dansers van NDT om te laten zien, dat ze ook daar raad mee weten.

Tableau de la troupe, Studio Koningstraat 1965. Foto: Fotobureau Stokvis

THE SHOW MUST GO ON

In 60 jaar NDT gingen er ook wel eens dingen mis. Er vielen decormuren tijdens optredens om, dansers bleven achter op vliegvelden en verkeerde muziektapes werden gestart. Er zijn overstromingen op het podium geweest zodat water over de apparatuur spatte en er is hardcore vloerwerk uitgevoerd op gipsplaten ondergrondjes. Heel soms werd een optreden stil gelegd. Maar meestal gold en geldt: the show must go on.

Lightfoot: ‘Carel Birnie deed vaak alsof hij niet luisterde naar complexe artistieke ideeën. Dan zat hij tegenover je en floot hij voor zich uit. Maar daarna zei hij: ‘Denk je dat je artistiek goed genoeg bent om dit tot uitvoering te brengen?’ En dan regelde hij de voorwaarden.’
León: ‘We hebben geregeld choreografieën op het laatste moment moeten aanpassen, bijvoorbeeld door een blessure. Sigue (1993) was een trio maar Glen Eddy kreeg de morgen voor de première een spasme in zijn rug. Toen hebben we er een duet van gemaakt, eerst door een spot op de plaats van de derde danser te plaatsen, dat bleek niet genoeg, toen hebben we een bloem neergezet. ‘Sigue’ betekent niet voor niets ‘doorgaan’.
León: ‘Signing Off (2003) hebben we opgevoerd na slechts één repetitiedag. Ik was net gestopt met dansen. We deden de première, de dag erna viel iemand op zijn nek en werd in een ambulance afgevoerd. Paul viel in. Toen viel Elke Schepers uit. Ik viel in. Zonder repetitie gingen we het podium op. Maar de zachtheid was enorm.’

Foto: Rahi Rezvani

Lightfoot: ‘Tijdens Soldatenmis (1980) van Jiří Kylián, een choreografie voor twaalf mannen die nooit het podium afgaan en geregeld neerstorten, zag Michael Sanders een contactlens op de grond liggen. Hij wist die in zijn mond te stoppen. Met de rug naar publiek mompelde hij: ‘Heeft iemand een contactlens verloren?’. ‘It’s mine, it’s mine’, riep James Vincent opgelucht.’
León: ‘We dansten voor het eerst in Japan L’Enfant et les Sortilèges, op muziek van Maurice Ravel. Ik danste een kikker. Al die karakters in kostuums kwamen het podium op en de Japanners klapten niet. ‘Waarom breng ik ook een Franse opera naar Japan?’, zei Jiří en wij hielden het niet meer in die oorverdovende stilte.’
Lightfoot: ‘In Théâtre de la Ville in Parijs zat één toeschouwer de hele tijd storend boe te loeien, als een koe, tijdens Soldatenmis. Jiří vond in de nok van het theater een oude sofa gevuld met stro. Hij stopte sprieten in zijn broekzakken. En tijdens het applaus, gemengd met boe, kwam Jiří op, zoals gebruikelijk, en gooide het stro naar die toeschouwer. De hele zaal bulderde van het lachen.
León: ‘In Parijs hadden we een keer een voorstelling tijdens een staking, in 1988. Er was geen personeel, geen technicus, geen publiek. Toch hebben we opgetreden. Voor een lege zaal. Arlette van Boven zei: The show must always go on.’

Dit interview verscheen in het jubileumnummer van Dans Magazine, speciaal gewijd aan het zestigjarig bestaan van Nederlands Dans Theater.